NL
Woordenschat...
Spelling...
Vul het juiste 5-, 6- of 7-letterwoord in. Speel tegen de computer of online tegen iemand anders. Bekend van het TROS-televisiespelletje.
Deze website bevat links naar taalspelletjes en
-oefeningen op internet.

De links zijn verdeeld in een aantal categorieën, zoals je in het menu links kunt zien. Sommige sites passen in meer dan een categorie.

De site is verre van compleet. "Dode" links en suggesties voor uitbreiding kunnen worden gemeld bij de webmeester, die je eeuwig dankbaar zal zijn.

Welkom...
Taalgebruik...
Lezen...
Grammatica...
Vorm een woord door de letters in de juiste volgorde te zetten.
Kies de juiste letters om aan de strop te ontkomen.
Spel de bijvoeglijke naamwoorden op de juiste manier.
Kies de juiste spelling van de werkwoorden.
Kies van deze moeilijke woorden de juiste spelling.
Zijn de dikgedrukte woorden goed gespeld of niet? Let ook op de hoofdletters!
Maak de trappen van vergelijking af.
Vul in de werkwoorden en de andere woorden de juiste letters in.
Wat is de juiste betekenis van de woorden? Let op: je kunt meteen doorklikken naar oefening 2 en 3.
Kies het juiste woord.
Kies de juiste meervoudsvorm.
Vul de juiste letters in.
Welke woorden hebben NIET dezelfde betekenis?
Kies het juiste lidwoord.
Zet de woorden met de tegengestelde betekenis naast elkaar.
Alliteratie = beginrijm. Vul de juiste woorden in. De eerste letter weet je al!
Vul in de kruiswoordpuzzel het juiste werkwoord in.
Hoort er nu wel of niet een tussen-n of tussen-s in de samenstellingen?
Vul de uitdrukkingen aan met de juiste woorden.
Trema = twee puntjes. Apostrof = hoge komma. Wel of geen trema? Apostrof of streepje?
Onderwerp? Gezegde? Of toch persoonsvorm? Ontleed de zinnen.
Vul het werkwoordelijk gezegde in.
Vul het naamwoordelijk gezegde in en vergeet vooral niet het naamwoordelijke en het werkwoordelijke deel te benoemen.
Vul het gezegde in. Naamwoordelijk of werkwoordelijk?
Hoe schrijf je de persoonsvorm van zwakke werkwoorden in de verleden tijd?
Hoe schrijf je de persoonsvorm van sterke werkwoorden in de verleden tijd?
Hoe schrijf je de persoonsvorm van zwakke werkwoorden in de verleden tijd?